Ordemaatregelen, schorsing en verwijdering

 proles logoabol logo

Ordemaatregelen, schorsing en verwijdering.

Opvoedkundige maatregelen.

Ondanks alle positieve en preventieve maatregelen die een school neemt, kan het nodig zijn om leerlingen te corrigeren. Wanneer een leerling de gedragsregels overtreedt die binnen de school gelden, dan kan hierop worden gereageerd met een opvoedkundige maatregel. Opvoedkundige maatregelen zijn pedagogische handelingen die beogen sociaal gewenst gedrag te bevorderen en leerlingen proberen te vormen. Voorbeelden van opvoedkundige maatregelen zijn het geven van een time-out, een leerling na laten blijven of een leerling strafwerk geven. Opvoedkundige maatregelen worden door een leerkracht aan een leerling opgelegd. Opvoedkundige maatregelen hangen nauw samen met het pedagogisch klimaat op school: pedagogisch beleid, gedragsregels, veiligheid, straffen en belonen, methodes en pesten. We gaan er vanuit dat de schoolaanpak in verreweg de meeste gevallen voldoende is voor de leerling. Indien een speciale aanpak op school is vereist voor een leerling dan gaat de school met ouders hierover in gesprek. NB. Ouders wordt om advies gevraagd over de aanpak, hun mening wordt zeer serieus genomen, maar beslissing over de aanpak ligt bij de school.

Ordemaatregelen.

Er zijn maatregelen in het primair onderwijs waarvan je als directeur of bestuur hoopt dat het niet nodig zal zijn. Maar als het toch noodzakelijk is, is het van belang dat de verantwoordelijkheden, verplichtingen en mogelijkheden van ouders, school en bestuur duidelijk zijn.

Ordemaatregelen zijn in oplopende volgorde van zwaarte:
1. De schriftelijke berisping, waarschuwing;
2. De overplaatsing naar een andere (parallel) klas of een andere vestiging van de school;
3. De schorsing;
4. De verwijdering.
(Omdat ordemaatregelen 3 en 4 de rechtspositie van leerlingen raken, geldt dat uitsluitend het bevoegd gezag gerechtigd is tot het opleggen van deze ordemaatregel).

Bij de beslissing om al dan niet over te gaan tot het opleggen van een ordemaatregel, dienen alle relevante omstandigheden van de casus te worden meegewogen. Wil de directeur/ het bevoegd gezag overgaan tot het opleggen van een ordemaatregel, dan is het onder andere van belang dat:
• Er een evenredige verhouding bestaat tussen de overtreding die de leerling heeft begaan en de ordemaatregel die wordt opgelegd;
• De leerling enige mate van schuld heeft gehad aan de normschending;
• De ordemaatregel door het bevoegd gezag wordt opgelegd conform de procedurele regels die hiervoor gelden.

De berisping, waarschuwing of overplaatsing naar een andere groep of vestiging van de school.

Indien de school een schriftelijke berisping of overplaatsing van een leerling overweegt, stelt de directeur het bevoegd gezag hiervan schriftelijk en met redenen op de hoogte. De directeur hoort vooraf gaande aan de berisping of overplaatsing de ouders en doet van dit gesprek (schriftelijk) verslag aan het bevoegd gezag. De directeur stuurt daarna de brief aan de ouders waarin de berisping, de waarschuwing dan wel de overplaatsing wordt gemeld. Het bevoegd gezag weegt de ordemaatregel en bekrachtigt de schriftelijke berisping dan wel overplaatsing achteraf. Ouders worden door de directeur op de hoogte gebracht van de mogelijkheid om indien gewenst hierover in gesprek te gaan met het bestuur.

Schorsing.

De Wet op het Primair Onderwijs vermeldt dat een leerling met opgave van redenen voor een periode van ten hoogste één week geschorst kan worden (artikel 40c WPO en artikel 40a WEC) . Het schorsingsbesluit dient schriftelijk aan de ouders bekend worden gemaakt. Wanneer de schorsing langer dan één dag duurt, dient ook de Onderwijsinspectie schriftelijk en met opgave van redenen geïnformeerd te worden. Schorsing is een ingrijpende maatregel, zowel voor de school als voor de leerling en diens ouders. Daarom beslist niet de directeur over de schorsing, maar het bevoegd gezag. Wanneer het bevoegd gezag besluit om een leerling te schorsen, dan betekent dit dat de leerling tijdelijk het recht op deelname aan het onderwijs wordt ontzegd. Schorsing kan worden gezien als een ultieme mogelijkheid voor de school om aan een leerling een waarschuwing te geven voor bepaald ontoelaatbaar gedrag. De duur van de schorsing zal in verhouding moeten staan tot de aard en de ernst van de overtreding.

Procedure:
1. De directeur verzoekt het bevoegd gezag schriftelijk met opgaaf van redenen om een leerling te schorsen.
2. Het bevoegd gezag past hoor en wederhoor toe: ouders, directeur en leerkracht worden uitgenodigd voor een gesprek.
3. Als de omstandigheden eisen dat het bevoegd gezag de leerling per direct moet schorsen, dan worden de ouders na het schorsingsbesluit gehoord.
4. De schorsingsdagen worden door de directeur gebruikt om met de ouders in gesprek te gaan om deze ernstige waarschuwing te onderstrepen en afspraken te maken over het vervolgtraject.
5. In het schorsingsbesluit moet het bevoegd gezag de redenen van schorsing, de ingangsdatum van de schorsing en de duur van de schorsing aangeven. Daarnaast geldt voor openbare scholen dat zij in het schorsingsbesluit een bezwaarclausule moeten opnemen waarin moet staan vermeld dat als de ouders het niet eens zijn met de inhoud van het besluit, zij hier binnen zes weken na dagtekening een bezwaarschrift tegen kunnen indienen bij het bevoegd gezag. Voor bijzondere scholen geldt dat als de ouders het niet eens zijn met de inhoud van het schorsingsbesluit, zij dit besluit kunnen aanvechten bij de burgerlijke rechter. Dit leidt echter niet tot opschorten van de schorsing.
6. Bij schorsing blijft de onderwijskundige relatie met de leerling bestaan. Dit betekent dat de school er voor zorg moet dragen dat wordt voorkomen dat de geschorste leerling een onderwijsachterstand oploopt gedurende de periode van schorsing. In de praktijk betekent dit dat de leerling de beschikking krijgt over materialen en een lesprogramma.


Verwijdering.

De verwijdering van een leerling is geregeld in artikel 40 lid 11 WPO en artikel 40 lid 18 WEC. Verwijdering kan worden aangemerkt als een eenzijdige rechtshandeling van het bevoegd gezag van een school, waarbij aan een leerling de verdere toegang tot de school wordt ontzegd. Er is sprake van verwijdering, wanneer het bevoegd gezag de leerling niet langer ingeschreven wenst te hebben. Definitieve verwijdering van een leerling is niet mogelijk dan nadat de school/het schoolbestuur ervoor heeft zorg gedragen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten. Het gaat hier om een resultaatsverplichting (zorgplicht) voor de verwijderende school; er moet een nieuwe school voor de leerling gevonden zijn die bereid is om de leerling op te nemen. Die andere school kan overigens ook een school of instelling voor speciaal (voortgezet) onderwijs zijn. Daarvoor is dan wel een toelaatbaarheidsverklaring van het samenwerkingsverband vereist.

Verwijdering is een ingrijpende maatregel, zowel voor de school als voor de leerling en diens ouders. Daarom beslist niet de directeur over de verwijdering, maar het bevoegd gezag. De schoolleiding is zelf meestal betrokken geweest bij de voorbereiding van het besluit door middel van gesprekken met de ouders en het team. Er kan sprake zijn van een vertrouwensbreuk. Het bevoegd gezag staat in het algemeen op grotere afstand van de dagelijkse praktijk en kan de kwestie dus ook met die afstand beoordelen.
Verwijdering kan voor de leerling verstrekkende gevolgen hebben. Hij verlaat een vertrouwde omgeving, er is een breuk in zijn ontwikkelingsproces en er bestaat het risico van een terugslag op zijn verdere ontwikkeling. Het is daarom van groot belang dat het verwijderingsbesluit aangeeft hoe het bevoegd gezag een afweging heeft gemaakt tussen het belang van de school bij verwijdering en het belang van de leerling om op de school te blijven. Die belangen kunnen per geval verschillen.

Er bestaan voor het bevoegd gezag drie gronden om een leerling te verwijderen:
1. De school kan niet aan de ondersteuningsbehoefte van de leerling voldoen.
2. Er is sprake van ernstig wangedrag van de leerling of de ouders.
3. Het gedrag van de leerling of de ouders is in strijd met de grondslag van de school. Deze verwijderingsgrond geldt alleen voor het bijzonder onderwijs. Dit item wordt hier niet nader uitgewerkt.

Ad 1. De school kan niet aan de ondersteuningsbehoefte van de leerling voldoen.
Van belang hierbij is of:
• de leerling formeel thuishoort in of toelaatbaar is tot het speciaal (basis)onderwijs dan wel;
• de leerling formeel thuishoort in het reguliere basisonderwijs.
Voor leerlingen die al onderwijs volgen op een school, maar die inmiddels extra ondersteuning behoeven, geldt dat de school eerst zelf moet proberen om de gevraagde ondersteuning te bieden. Wanneer de school deze ondersteuning niet zelf kan bieden, moet het voor een plek op een andere school zorgen. Over een dergelijke beslissing overleg moet overleg worden gevoerd met de ouders van de leerling. Het bevoegd gezag heeft hierbij te maken met een onderzoeksplicht ter beoordeling van de vraag of de school aan de ondersteuningsbehoefte kan voldoen. De leerling wordt door de school in overleg met de ouders aangemeld bij de CLO (Commissie Leerling Ondersteuning) van het SWV De Liemers om te kijken of de school inderdaad niet kan voldoen en of de leerling een toelaatbaarheidsverklaring krijgt voor het speciaal (basis)onderwijs. Meer informatie staat op de website van het samenwerkingsverband: swvdeliemers-po.nl.

De volgende items zijn dan van belang:
• De aard van de handicap en de daaruit voortvloeiende onderwijsbeperking;
• De beschikbare formatie en expertise van de leerkrachten;
• De mogelijkheid om alle leerlingen de vereiste aandacht te geven;
• De beschikbare externe hulp;
• Afstemming tussen de benodigde ondersteuning van de leerling en de beschikbare ondersteuning.
• Voorts moet het bevoegd gezag het ondersteuningsplan in zijn onderzoek betrekken.
• De school zal elk geval afzonderlijk moeten bekijken en het belang van het kind tegen dat van de school afwegen.
• Van belang is vooral dat deze afwegingsprocedure zorgvuldig is en dat adviezen deskundig, onafhankelijk en zoveel mogelijk eenduidig zijn. Bovendien moet de stem van de ouders voldoende worden gehoord.

Ad 2. Er is sprake van ernstig wangedrag van de leerling of de ouders.
Van wangedrag kan in uiteenlopende situaties sprake zijn: (herhaaldelijk) schoolverzuim, overtreding van de schoolregels, agressief gedrag, bedreiging, vandalisme dan wel seksuele intimidatie. Verwijdering is een sanctie. Ook het wangedrag van ouders, zoals (herhaalde) intimidatie van leerkrachten, kan een reden zijn om een leerling te verwijderen. Of het bevoegd gezag tot verwijdering kan overgaan, hangt van de omstandigheden van het geval af. Er is geen algemene lijn. Het wangedrag moet in elk geval ernstig zijn. Procedureel is het volgende van groot belang:
• Er zijn gedragsregels hoe het bevoegd gezag/school met wangedrag omgaat en wanneer de grens voor verwijdering is bereikt.
Als een leerling niet weet wat de regels van de school zijn, kan de leerling niet op grond van overtreding van die regels worden verwijderd. Verwijdering dient daarom gebaseerd te zijn op een schoolreglement dat regels en grenzen stelt aan het gedrag van leerlingen (en personeel) en aangeeft wanneer het bevoegd gezag sancties kan opleggen.
• (Lichtere) maatregelen ter voorkoming (zoals opvoedkundige maatregelen, specifieke aanpak of schorsing) van herhaling hebben gefaald.
Wanneer de leerling (of zijn ouders) ondanks eerdere gedragsafspraken en ondanks een laatste waarschuwing zijn gedrag niet verbetert, kan het bevoegd gezag, afhankelijk van de overige omstandigheden, tot verwijdering overgaan. Een licht vergrijp kan door herhaling uitgroeien tot ernstig wangedrag. Daarnaast is wangedrag denkbaar waarbij onmiddellijke verwijdering is geboden, zonder de genoemde eerdere maatregelen of voorafgaande waarschuwing. Dit geldt alleen in zeer ernstige gevallen. Voor de school kan van belang zijn dat zonder verwijdering de rust en de veiligheid op de school niet langer gegarandeerd kan worden. Het is raadzaam in de verschillende stadia van de procedure de Inspectie voor het Onderwijs te raadplegen en de adviezen mee te nemen in de besluitvorming.
• De leerling/ouders is/zijn gewaarschuwd dat bij eerstvolgende herhaling tot verwijdering wordt overgegaan.

Procedure bij verwijdering.
1. De directeur brengt het bestuur op de hoogte van het voornemen tot verwijdering. Dit gebeurt (indien het niet gaat om een noodsituatie) met een schriftelijke onderbouwing met inachtneming van de items op bladzijde 3 en 4.
2. Alvorens tot verwijdering over te kunnen gaan hoort het bestuur de directeur, de groepsleerkracht en eventueel het team. Het bestuur/de directeur nemen contact op met de onderwijsinspectie. Geven deze gesprekken geen aanleiding meer om voor de laatste keer een oplossing te zoeken voor de situatie dan wordt de verwijderingsprocedure in gang gezet.
3. Het bestuur besluit tot een voornemen tot verwijdering en nodigt de ouders schriftelijk uit voor een gesprek. (Over het algemeen hebben bestuur en ouders al contact gehad n.a.v. waarschuwing of schorsing.) De school stelt een onderwijskundig rapport op over de leerling.
4. In dit gesprek laat het bestuur weten aan de ouders dat het bevoegd gezag niet langer bereid is de oplossing op de huidige school te zoeken en dat er een nieuwe fase in werking treedt die op verwijdering is gericht. Het gesprek dient om van de ouders te vernemen wat zij van de voorgenomen verwijdering vinden. Voor dit gesprek is een goede onderbouwing (zie punt 1) noodzakelijk: waarom het belang van de ouders en de leerling moet wijken voor het belang van de school. In dit gesprek wordt ook de verdere procedure aan de orde gesteld en hoe ouders bezwaar kunnen maken. Het bezwaar schort de het verwijderingsbesluit niet op.
5. Vormt het gesprek met de ouders geen aanleiding om van het voornemen af te zien, bericht dit dan schriftelijk en onderbouwd, met verwijzing naar het gesprek, aan de ouders en het personeel. Dit is wettelijk niet verplicht maar bevordert de zorgvuldigheid van de besluitvorming.
6. Voor alle gronden van verwijdering geldt dat het bevoegd gezag slechts definitief tot verwijdering (schriftelijk) over kan gaan als een andere school bereid is om de leerling toe te laten. Dit betekent dat het bevoegd gezag een resultaatsverplichting heeft en op zoek moet gaan naar een andere school voor de te verwijderen leerling. Openbare en bijzondere scholen dienen zich daarbij niet te beperken tot de eigen denominatie. Voor alle schoolbesturen geldt dat zij zich evenmin beperken tot scholen die bij het eigen samenwerkingsverband zijn aangesloten. In het geval dat de leerling formeel thuishoort in of toelaatbaar is tot het speciaal (basis)onderwijs is het van belang dat de leerling ook daadwerkelijk tot die school wordt toegelaten. Als een andere school bereid is gevonden de leerling op te nemen heeft het bevoegd gezag voldaan zijn resultaatsverplichting. Indien ouders hun kind niet willen inschrijven op deze school, zullen zij zelf een andere school moeten zoeken.

Indien ouders het er niet mee eens zijn.
Ouders kunnen tegen een verwijderingsbesluit bezwaar aantekenen bij het bevoegd gezag. Dit bezwaarschrift moet binnen zes weken nadat het verwijderingsbesluit is genomen, zijn ingediend. Vervolgens dient het bevoegd gezag binnen vier weken een beslissing op het bezwaar te nemen. U kunt ook bezwaar maken tegen een afgegeven toelaatbaarheidsverklaring speciaal (basis)onderwijs van het CLV (Commissie Leerling Ondersteuning) van het SWV De Liemers.

Er is een onafhankelijke commissie ingericht waarbij iedere school op grond van de wet is aangesloten. Deze commissie heet landelijke Klachtencommissie Onderwijs en Onderwijsgeschillen en ressorteert onder de Stichting Onderwijsgeschillen (www.onderwijsgeschillen.nl). Zie hiervoor de klachtenprocedure van stichting Proles en ABOL.
Voordat de ouders naar de Geschillencommissie gaan, kunnen zij als tussenstap de Onderwijsconsulenten inschakelen. Onderwijsconsulentenkunnen bemiddelen in de fase waarin nog geen geschil aanhangig is bij de commissie.
Deze Geschillencommissie Passend Onderwijs brengt op verzoek van ouders binnen 10 weken een oordeel uit over de beslissing tot verwijdering. Aan deze commissie kunnen, naast geschillen over verwijdering, ook geschillen over (de weigering van) toelating van leerlingen die extra ondersteuning behoeven en de vaststelling en bijstelling het ontwikkelingsperspectief van een leerling worden voorgelegd. Wanneer de ouders ook bij het schoolbestuur bezwaar hebben gemaakt tegen de verwijdering, dient het schoolbestuur het oordeel van de commissie af te wachten voordat er over het bezwaar besloten wordt. Het oordeel van de commissie is niet bindend. Het schoolbestuur moet zowel aan de ouders als aan de commissie aangeven wat het met het oordeel van de commissie doet. Als het schoolbestuur van het oordeel afwijkt, moet de reden van die afwijking in de beslissing vermeld worden.

Vervolgens kunnen ouders zich tot de rechter wenden. Voor het openbaar onderwijs is dat de bestuursrechter, en voor het bijzondere onderwijs de civiele rechter. Bij beide rechters kan ook een spoedprocedure worden gestart om verwijdering (voorlopig) te voorkomen.

Impressie

  • carrousel-009
  • carrousel-001
  • carrousel-002
  • carrousel-003
  • carrousel-004
  • carrousel-005
  • carrousel-006
  • carrousel-007
  • carrousel-008